Tender, tenderlocomotief

Een tender is het wagentje dat veel stoomlocomotieven achter zich meevoeren. In de tender zitten het water en de brandstof die de locomotief nodig heeft. De brandstof is meestal steenkool of stookolie, maar kan ook hout zijn. Er zijn ook locomotieven waarop water en brandstof op de loc zelf worden meegenomen. Deze locomotieven noemt men een tenderlocomotief.

Het voordeel van een tenderlocomotief is dat deze net zo makkelijk vooruit als achteruit rijdt. Een locomotief met losse tender mag achteruit niet snel rijden vanwege het ontsporingsgevaar; ook is het uitzicht van de machinist op de seinen dan veel slechter. Een locomotief met losse tender wil men daarom aan het eind van de rit graag weer met de neus naar voren krijgen. Daarvoor gebruikt men een draaischijf, soms een keerdriehoek.

Het Engelse "tender locomotive" betekent locomotief met losse tender. Wat wij een tenderlocomotief noemen, heet in het Engels een "tank engine". Een locomotief met losse tender heet in het Duits "Schlepptenderlokomotive".



Waternemen halverwege Rheine en Emden, 1971. Waterkolom (met elektrisch licht) op het perron van Rheine, 1975.
Op de rechterfoto de watertoren van Bw Bochum-Dahlhausen, 2008.


Rheine, 6 augustus 1970. De machinist van loc 044 671 ziet het even niet meer zitten. "Kein Wasser im Tender".
Geen water is vervelender dan geen kolen. Een stoomlocomotief waar te weinig water in zit kan in grote problemen komen, tot een ketelexplosie aan toe.


Driebergen, 30 april 2005. Loc 41 360 is met een gezelschapstrein op weg naar Rotterdam. Vroeger stonden er op veel stations waterkolommen, waarmee een tender snel gevuld kon worden. Tegenwoordig moeten museumorganisaties improviseren als ze een lange rit willen rijden, bijvoorbeeld de brandweer inschakelen. Of een eigen watervoorraad meenemen. Bij deze trein fungeert het postrijtuig als extra watertender.



Oliestook

Onder andere in Duitsland en Frankrijk heeft men veel stoomlocs omgebouwd van kolenstook op oliestook. In de vuurkist zijn oliebranders aangebracht en in de tender heeft men een stookolietank gemonteerd. De locomotieven zijn meestal eenvoudig te herkennen aan de tender die van boven dicht is, en anders wel aan de inktzwarte rookwolken die de loc uitbraakt. Foto rechts: de stoker van loc 012 068 op 13 november 1971.

Olie is prettig voor de stoker, want die kan blijven zitten om de branders te bedienen, in plaats van constant kolen op het vuur te moeten scheppen. Het stoken van olie heeft ook nadelen. Ten eerste moet de olie in de tender worden verwarmd tot 50 graden, omdat ze anders niet naar de branders te pompen is. Daarvoor is dus een tweede locomotief nodig, of een stationaire stoomketel. Als de loc koud is, zal ze met oliebranders veel sneller op temperatuur komen dan een loc die met kolen wordt gestookt. Dat is bedrijfsmatig misschien een voordeel, maar de loc slijt hier wel sneller door. Om deze redenen kiezen museumorganisaties er nog weleens voor om oliegestookte locs terug te verbouwen tot kolenstook. De SSN heeft dat bijvoorbeeld met loc 01 1075 gedaan.

Le Mans, 26 september 1970. Een 141R als stationaire stoomketel. De stoom van deze ketel werd gebruikt om olie voor te verwarmen. Koude stookolie is namelijk niet over te pompen.



Doorlooptender

Dit is een doorlooptender van een LNER-loc die de Flying Scotsman trekt. Halverwege de non-stop rit van 600 kilometer werd het locpersoneel afgelost door een tweede ploeg, die via een gangpad in de tender de voetplaat kon bereiken. Op veel trajecten lagen tussen de rails watertroggen, waaruit locomotieven tijdens de rit hun tender konden vullen.

Foto uit "The world's railways and how they work", Odhams Press, London 1947.


Kabinentender

Herzogenrath, 3 juli 1969. Loc 052 916 op de rug gezien. Vanaf 1961 kregen ongeveer 730 locs van de Baureihe 50 een Kabinentender: in AW Lingen werd er een conducteurshuisje op gezet. Dat ging ten koste van de hoeveelheid kolen die kon worden meegenomen, maar het voordeel was dat er geen conducteurswagen meer hoefde mee te rijden in goederentreinen.


Wannentender

Herzogenrath, 3 juli 1969. Loc 051 524 met Wannentender (badkuiptender). Deze tenders waren oorspronkelijk gebouwd voor de oorlogslocomotieven Baureihe 42 en 52. Na de sloop van deze locs werden diverse tenders geplaatst achter locs van de Baureihen 38 en 50. Een voordeel van deze tenders was dat ze minder makkelijk ontspoorden, zodat de locs sneller achteruit mochten rijden.


Kabinenwannentender

Wien Praterstern, 3 september 1973. ÖBB-loc 52.7687 met Kabinenwannentender.


Wolsztyn, 29 april 2007. Wannentender van Kriegslok 52 6666. In de rechterbuffer (links voor de kijker) zitten negen gaten. Oorspronkelijk was deze bufferschotel met klinknagels vastgezet. Later zijn die verwijderd en werd de schotel vastgelast. De gaten bleven achter. Foto Walther Brandscheid.


Kondenstender

Neuenmarkt-Wirsberg, 17 augustus 2005. Om langere afstanden te kunnen rijden zonder water te hoeven innemen, werden bijna 200 locs van de Baureihe 52 voorzien van een 'Kondenstender'. Hierin werd de door de locomotief gebruikte stoom afgekoeld zodat deze condenseerde tot water dat dan weer opnieuw kon worden gebruikt. Van deze tenders bestonden twee uitvoeringen, een grote met vijf assen en een kleinere met vier assen. Op deze foto is de kleinere versie te zien.


 

Hilversum, 21 en 24 oktober 1969. De slijptrein, bestaande uit een in 1958 omgebouwd blokkendoosrijtuig (voorheen mCv 9426) en twee waterwagens (voormalige tenders van Zweedse NS-stoomlocs). De railslijpwagen is in 1985 gesloopt. Beide waterwagens zijn via de SGB terecht gekomen bij de Hoogovensexcursietrein.


Groene Amsterdammer, 9 december 1950. Locomotieven worden gevuld met water dat is onthard met behulp van Alfloc-chemicaliën. Deze zijn gebaseerd op een kalk-soda-onthardingsproces dat is 1841 is gepatenteerd door de Schotse chemicus Thomas Clark. Advertentie van Imperial Chemical Industries (ICI) uit Rotterdam.


Beekbergen, 3 augustus 2006. Bij de VSM wordt hard gewerkt aan het opknappen van loc 23 076. Foto Jakop de Bruin.

De tender lijkt er klaar voor te zijn om weer aan de loc te worden gekoppeld. Dat gebeurt met drie zware stangen. De middelste stang loopt onder de tender door naar de treinkoppeling aan de andere kant. De trekkracht van de loc wordt op deze manier rechtstreeks op de trein overgebracht, in plaats van via de tender te lopen.

De tender is zodanig ontworpen dat de loc snel achteruit kan rijden. Men hoopte op 110 km/uur, net zo snel als vooruit, maar in de praktijk is 85 km/uur toegestaan. Snel genoeg om dienst te doen op nevenlijnen, zonder de loc te hoeven keren. Ook heeft men duidelijk aandacht besteed aan het tochtvrij houden van de machinistencabine: zie de rubber vouwbalg.

Meer Baureihe 23


Van de serie 3700 bestond ook een tendervariant: de serie 6100, waarvan er slechts tien zijn gebouwd. Deze locs hadden twee cilinders, tegen de 3700 vier. Op deze foto loc 6104 rond 1935 in Hilversum. Naast het machinistenhuis staat mijn grootvader, rangeerder N. Spilt.


Kleine stations en afgelegen posten waren dikwijls niet op het waterleidingnet aangesloten. Drinkwater werd aangevoerd met behulp van waterwagens. Een 1700 levert een nieuwe voorraad af bij een wachtpost. Naar een schilderij van Hans Kaas.



Zie ook:

Enige tenderlocomotieven:




vorige       start       omhoog